Denkstuk – Daniel Johnston In Perspectief

Fri 13 Sep '19

Door Jan Hiddink

(Foto Daniel Johnston in Paradiso 2008, met dank aan Kindamuzik)

Opname MTV 1985: begin van cultreputatie en roem. Drie minuten tv brengt meer dan driehonderd uur radio. Toen al een jongen met zijn heel eigen problemen, die allemaal goed gedocumenteerd zijn. Iemand die zelf thuis liedjes opneemt en op cassettes uitbrengt, in de hoop op een platencontract: hoewel geromantiseerd, zeker niet uitzonderlijk in die tijd. De uitzonderlijkheid zit in zijn persoonlijkheid en in de weerslag daarvan in zijn liedjes. Hij verhuist naar Austin.

Austin is te beschouwen als de wereldwijde handelshoofdstad van de rock n roll. Dat zie je tegenwoordig aan SXSW. De bakermat daarvoor moet al in die jaren zijn gelegd. Austin is Texas. Daniel Johnston is Texas. “You can take the boy out of Texas, but you cannot take Texas out of the boy.”

Daniel Johnston staat in een Texaanse traditie van outsiders en excentriekelingen. Ze denken er groot als in de olie industrie. Zie ook Roky Erikson en Gibby Haines: onverschrokkenheid die duur is uitbetaald. Al is diezelfde onverschrokkenheid voor Daniel Johnston verboden terrein –hij moet ver weg blijven van alles wat zijn geestelijke gestel kan ondermijnen.

Tien jaar vooruit spoelen. 1995, Fast Forward festival in Nijmegen. Hometapers. Low Fi. Doornroosje. Een viering van muzikanten die thuis hun liedjes opnemen, die voor directe zeggenskracht kiezen, geen platenmaatschappij nodig hebben, het heft zo in eigen hand nemen: DIY.

Had alleen maar in Nijmegen plaats kunnen vinden. Eeuwig Roomsrode studentenstad. Het persoonlijke in relatie tot de wereld staat er voorop. Dat vonden en zochten ze in deze muzikanten. Markeert een breuk met de toenmalige Tegen Tonen avantgarde, die vond dat popmuziek vooruitgang moest boeken. Over grote kwesties moest gaan. En niet moest piepen over persoonlijke zaken. In Nijmegen mocht iedereen zielig zijn. Geen machtsvertoon. Achteraf, cynisch gezegd, een eerste haarscheur in het vooruitgangsdenken van de popmuziek sinds punk. Niet meer het wereldlijke, maar het persoonlijke stond voorop.

Hoogtepunt in Nijmegen: de doodzieke Beck, toen een soort superster in wording. Want hij had cassettes op K records van Calvin Johnston uitgebracht. Al met al een warm clubgevoel. In een tijd waarin we nog weinig wisten. Het was instant geschiedschrijving, niet gepreludeerd door trendspotting in de media. Internet bestond nog niet. Gesprek met bekende producer over Lee Hazlewood: allemaal interessante biografische feiten, waarvan ik achteraf ontdekte dat het geen feiten waren, maar songteksten -die letterlijk waren genomen. Dat tekende de romantische inborst van die scene: geloven wat je hoort.

Wie er niet was: Daniel Johnston. Het lichtende voorbeeld. Hij werd het hardst gemist van allemaal. Je hoorde over hem praten. Misschien werden zijn cassettes daar verkocht. Misschien ooit in de toekomst. Die toekomst kwam er niet. Fast Forward vond na de tweede editie niet meer plaats. Goede zaak: legende geboren, zo dicht je er achteraf veel meer belang aan toe. Toen waren het vooral leuke, sympathieke avonden die een alternatief boden voor de toenmalige ijzeren wetten van de popmuziek, op zowel links als rechts. De menselijke maat was terug.

Beetje op dat spoor gezet, probeerde ik het voor Paradiso. Tegen Tonen werd Tracks & Traces: meer zoekend dan afkondigend, minder dictaat, humaner. Bellen en schrijven met Texas leerde dat het niet ging gebeuren, het werd te kostbaar.

Toen kwam Crossing Border naar Amsterdam, vanuit Den Haag. Er was geld te besteden. En de VPRO, waar ik werkte, had in de vorm van media aandacht ook geld te besteden. Daniel Johnston kwam speciaal voor ons over naar Nederland. Hij zou optreden in de bovenzaal van Paradiso, die we toen met De Avonden programmeerden. En hij zou bij ons in de studio aan de Amstel, waar wij toen werkten, een sessie opnemen. En niet onbelangrijk: ik zou hem interviewen. Alles vond ook daadwerkelijk plaats.

Hoe Daniel zich tussentijds persoonlijk ontwikkeld had, was moeilijk te zeggen. Hij bracht een cd uit op een major, die heette Fun, opgenomen door Paul Leary van de Butthole Surfers. De echte fans vonden het natuurlijk maar zo zo –poppubliek is het meest voorspelbaar van allemaal. Maar hoe het met hem zelf zou gaan was onzeker. Maar dat zouden we gaan ondervinden.

Dat was hem dus. Hij was dik geworden. Onverzorgd. Ontoerekeningsvatbaar. Dronk de hele dag cola. Rookte de hele dag. En hij deed tussendoor wat er van hem werd gevraagd: een beetje muziek maken. En juist dat, waarvoor hij was gekomen, bleek hij nog amper te beheersen. Hij raffelde het af als schoolwerk waar hij toch al geen zin in had.

Jeff Tartakoff, die hem begeleidde, was ook sceptisch: de geestelijke gezondheid van Daniel was nu onder controle met dank aan medicatie, maar of het muzikaal ooit nog goed zou komen betwijfelde hij. De oorspronkelijke vlam was er simpelweg uit. Er resteerde vooral een herinnnering aan betere tijden. Het was pijnlijk om naar te kijken, pijnlijk om naar te luisteren. Het interview loopt na iets van 20 minute spraak. Hij dreigt te flippen. We blazen het voortijdig af. Van een vervolg komt de volgende dag niets terecht. Hij is stripboeken kopen en vergeet de tijd. We hebben te maken met een groot kind in de gedaante van een oude man.

De les: niet meer doen. Niet meer iemand op basis van cultreputie alleen hier naar toe halen. Ik blijk me echter te vergissen in hoe sentimenteel het poppubliek is.

Want in de jaren daarna gaat iedereen met Daniel Johnston aan de haal. Gelegenheidsmuzikanten. Orkesten. Festivals. Documentairemakers. 2009: ATP door Matt Groening, tekenaar van the Simpsons. Johnston treedt niet 1 maar wel drie of vier keer op. Het is deerniswekkend slecht. Het publiek vindt het prachtig.

Ooit was een optreden van Johnston zo goed als een ondenkbaarheid. Nu is er geen houden meer aan. Hij komt met regelmaat, uiteindelijk zelfs met een orkest. Het is net of iedereen iets van hem moet. Iedereen wil iets van of met Daniel Johnston, behalve hijzelf: hijzelf staat als een willoze marionet te doen wat hij geacht wordt te doen.

Waar dat uiteindelijk toe leidt is het soort medemenselijkheid die ook met de beste bedoelingen het slechtste in een mens kan bovenhalen. Ter illustratie daarvan sluiten we Daniel Johnston af met deze opname, waarbij een centrale rol is weggelegd voor Glen Hansard van The Frames.